Een week in een stad die alle kanten uit kan en ook gaat. Niet dat ik al die kanten heb bezocht, dat zou ik niet aankunnen. Wel de eerste dag meteen naar het Stasi Museum, al was het alleen maar om de beroemde geurpotjes te zien, deze:

Het stelt niets voor, 2 glazen weckpotjes met hermetisch gesloten dekseltjes in een kleine vitrine op een overloop in het trappenhuis. Meer dan al het andere staan deze potjes voor de verdwazing van het DDR-regime. Dolgedraaide informatievergaring ter bevordering van de staatsveiligheid: het verzamelen van de geuren van verdachten en die in potjes bewaren. Alle politici die blindelings voorthollen in de huidige veiligheidsdrift zouden verplicht op bezoek moeten naar dit museum. Zo lang geleden is het niet. De spulletjes die je er ziet zijn bijna aandoenlijk in hun knulligheid. Ondertussen dringt de omgeving en de totalitaire controle van het Ministerie van Staatsveiligheid zich aan je op.
Niks knullig.
Aan de andere kant van de stad loop je niets vermoedend naar het holocaust monument. Van een afstandje ziet het er nogal stom uit. Wat een onzin, dacht ik. Daarna stak ik de straat over en liep het terrein op. Eerst tussen de lage blokken en dan verder, en voor ik het wist werd ik opgeslokt door de enormiteit. Dat is het, het is de ervaring van een onvermijdelijke enormiteit.

Geabstraheerde overweldiging. Je ziet het er niet aan af, dat is het mooie ervan, je begint gewoon ergens, je maakt een paar mensen af, stelt niks voor. En nog een paar. Waar hebben we het over? Hoeveel hebben we er nu gehad? Een paar honderd? Niet overdrijven. Pakken we er nog een paar honderd. Op het totaal is het niets ... En zo verder. Zonder dat je er iets aan doet, loop je zo het labyrint van enormiteit in en als je er eenmaal midden in zit, zie je alleen nog maar hoeveel werk het is om de enormiteit aan de gang te houden.
Indrukwekkend. Je ervaart iets wat je niet dacht te zullen ervaren.